(artikel geschreven voor Tijdschrift voor Verkondiging)
Van u is de toekomst

Van u is de toekomst
kome wat komt
licht dat niet dooft
liefde die blijft

Deze woorden van Huub Oosterhuis zing ik vaak voor me uit, ze wonen in me. Hoe vaak heb ik ze al niet aangereikt aan anderen? Toen ik aan het eind van een viering iemand zegende voor zijn reis naar Afrika om daar een poos ontwikkelingswerk te doen. Of ik printte ze uit, plakte ze op een bijenwaskaars en sprak de woorden uit toen twee vrouwen een zegen vroegen over hun relatie, terwijl een van hen al heel ernstig ziek was.
   Weer kwamen de woorden boven toen een jonge moeder vroeg om haar te zegenen, toen ze op een ziekenhuisbed in de woonkamer lag, haar laatste dagen van leven. Tom Löwenthal maakte er prachtige muziek bij; dus daarna hebben we ook nog naar de muziek geluisterd op cd. Bijzonder, hoe de woorden dan nog intenser binnen komen.

Als geestelijk verzorger werk ik in de thuiszorg en kom ik vooral bij mensen die niet meer vertrouwd zijn met het grote verhaal. Soms kennen ze nog een kinder-gebed van vroeger, maar of ze dat nog geloven? En toch... voelen ze behoefte om met elkaar stil te staan bij wat is.
   Plotseling staat hun leven op de kop, er is slecht nieuws gekomen, het einde van leven komt dichterbij. Na paniek, verontwaardiging, intens verdriet of boosheid blijft het zoeken naar woorden, ook met elkaar. Wat valt er nog te zeggen? Dan kan een moment van samenzijn, begeleid door een geestelijk verzorger rust geven.
   Je biedt ruimte voor stilte, je geeft ruimte aan hen allen om vanuit die stilte misschien nog iets te zeggen.

Ter voorbereiding vraag ik vaak: Waar hoop je op? Of: waar droom je van? Of: Waar ben je onrustig over? Dan komen er vaak antwoorden in de trant van: Ik weet eigenlijk niet wat ik nog geloof, heb er al zo lang niks meer aan gedaan. Maar ik hoop dat er iemand is die me ziet, die me vergeeft.
   Dan merk ik steeds weer dat de woorden van Huub Oosterhuis helpend zijn. Ook de woorden van zijn hertaalde psalmen. Sommigen kennen van vroeger nog Psalm 23: ‘Ja, die werd ook bij mijn vader gelezen’, en dan lees ik de hertaling voor van Psalm 23 vrij:

Jij mijn herder? Niets zou mij ontbreken.

Breng mij naar bloeiende weiden
doe mij liggen aan vlietend water
dat mijn ziel op adem komt
dat ik de rechte sporen weer kan gaan
achter jou aan.

Jij mijn herder? Niets zal mij ontbreken.

Moet ik de afgrond in, de doodsvallei,
ik ben bang – ben jij naast mij
ik zal niet doodgaan van angst.

Jij hebt de tafel al gedekt – mijn spotters
weten niet wat ze zien:
dat jij mijn voeten wast, ze zalft met balsem
mij inschenkt, drink maar, zeg je

niets zal mij ontbreken.?

Laat het zo blijven, dit geluk
deze genade, al mijn levensdagen.

Dat tot in lengte van jaren
ik wonen zal bij jou in huis.

Jij mijn herder? Niets zal mij ontbreken.
(UIT 150 PSALMEN VRIJ, HUUB OOSTERHUIS)

Ik leg uit wat ik er zo mooi aan vind. Het is niet meer die zekerheid van ‘De Heer is mijn herder’, maar het is vragend: ‘Was jij mijn herder? Niets zal mij ontbreken.’
Er staat ook niet: ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij.’ Hoezo, ‘ik vrees geen kwaad...?’ Ik merk dat ik wel bang ben en zo staat het ook in de vrije hertaling:

Moet ik de doodsvallei in, ik zal bang zijn.
Ben jij naast me, ik zal niet doodgaan van angst.

Het zijn vaak ontroerende momenten, want vaak hoor ik een diepe zucht, een bevestigend knikken; ja, zo is het!
De palliatief verpleegkundige belt: ze is bij een jonge vrouw geweest die stervende is; ze heeft een aantal jaar in Rome gewoond en is in bijna alle kerken geweest en overal stak ze wel een kaarsje op. En ze weet van vroeger nog, van haar oma dat er zoiets is als een ziekenritueel. Ja, dat zou ze wel willen!
   Ik ga bij haar op huisbezoek en ontmoet ook haar man. Hun zoontje van 13 is nog op school. Ceciel heeft moeite met praten, dat is haar al teveel en ze wil ook niet zo lang wachten... kun je iets voor ons doen? We spreken af dat ik de volgende avond terug zal komen en thuisgekomen ga ik nadenken over teksten. Ze vertelde dat ze Abraham Soetendorp heeft leren kennen en dat ze hem een geweldige man vond. En wat doe ik met hun zoontje van 13 die nog nooit in een kerk is geweest en er niks vanaf weet?
   Ik zoek in de kast en vind het boek van Soetendorp: De adem van kinderen, een bundel verhalen over joodse feesten met een leermoment erin. Ik koos een verhaal over bidden: als je uit je hart bidt, stijgt het gebed op, maar als je gewoon uit plicht bidt en iets opdreunt zonder erbij na te denken, valt het neer. Zo kon het zijn dat de synagoge, waar toch maar een paar mensen waren, helemaal gevuld was. De rabbi ging dus weer weg, want hij kon er niet meer bij.
   Een mooi verhaal over bidden, het ging niet zozeer om de woorden, als het maar uit je hart kwam. Ja, daar kan ik wel wat mee, dacht ik. Verder zocht ik nog naar een paar korte teksten, want het moest zeker niet te lang duren, dat kon Ceciel niet meer aan. Ik kocht voor haar een mooie kaars in de Wereldwinkel, een kaars die door vrouwen onder menswaardige omstandigheden was gemaakt in India.

Vlak voor ik wegging belde de man van Ceciel op: haar moeder die zeer dement was, was opgehaald uit het verpleeghuis om afscheid van haar dochter te nemen en ze was er nog: ik reageerde gelijk positief: als het voor Ceciel niet te veel is, is het toch fijn als ze er ook bij kan zijn, we zien wel wat ze ervan mee maakt. Het was al donker, maar de kamer was sfeervol verlicht en ik groette iedereen hartelijk.
   Ceciel lag zwaar te ademen, met haar mutsje op, ze duwde steeds de deken weg, veel te warm. Tranen sprongen in mijn ogen, tjee, wat was ze geel geworden en haar gezicht was nog dikker dan gister. Ik raakte zachtjes haar arm aan: ‘Dag.’ Ze opende haar ogen en met een diepe stem zei ze: ‘Ik wil wat rechter op zitten.’ Bij het voeteneinde stond een hoog tafeltje met een standaard erop, daar zette ik de kaars neer. Ik gaf nogmaals antwoord aan haar moeder, die voor de derde keer vroeg, wie of ik toch wel was...
   We zaten rond haar bed, hun zoon tegen zijn vader aan, haar moeder wat op een afstandje en ik ging bij haar voeten zitten. ‘Laten we stil worden,’ en ik deed mijn ogen dicht. Plotseling stond haar moeder op: ‘Waar is mijn tas, want ik moet naar huis!’ Pff, ik kreeg het er warm van, ik hoopte zo dat ze nog even kon blijven.
   ‘Zullen we de kaars aansteken?’ Ik vroeg hun zoontje of hij dat wilde doen en ja, dat wilde hij wel, terwijl moeder en oma toekeken. Daarna begon ik met een kort gebed:

Doe uw Naam gestand
aan deze ene
om wie wij heen zijn,
om haar leven.

dat haar nog goede nachten
en dagen worden gegund
uren van herkenning en liefde
ogenblikken van bevrijding
ontferm U over Ceciel en al wie haar lief zijn.
Doe lichten over haar uw Aangezicht
(UIT OGEN DIE MIJ ZOEKEN, HUUB OOSTERHUIS)

Ik bleef even stil, er werd gesnikt en handen zochten elkaar… Ik haalde het boek van Soetendorp uit mijn tas en las het verhaal voor. Ik voelde halverwege dat er rust kwam, haar moeder zocht niet meer naar haar tas, maar luisterde intens. Ceciel probeerde ook haar ogen open te houden en glimlachte toen het uit was: typisch Abraham!
   En ik vroeg hun zoon wat hij ervan vond. Hij vond het komisch en zijn vader zei
met tranen in zijn ogen, dat hij het zo vond kloppen, het moet uit je hart komen!
Ik zegende Ceciel met de woorden:

Gezegend Gij Eeuwige
onzienlijk hier nu
onbeeldbaar boven alle beeldspraak uit
gezegend die ons tijd van leven geeft,
dagen en nachten, alle dagen nieuw.

Geef pijnloze uren
helderheid van geest

dat wij de laatste woorden vinden
de laatste groet
de stilte van liefde.

Gezegend Gij die weet
wat in mensen omgaat.
(UIT OGEN DIE MIJ ZOEKEN, HUUB OOSTERHUIS)

De volgende dag kreeg ik een lief sms'je van haar man: ‘De kaars brandt nog steeds zo mooi en Ceciel ligt rustig maar diep te slapen, we waren zo blij met gister-avond!’

Telkens weer ervaar ik dat het de kunst is, om niet zoveel woorden te gebruiken, maar sober te blijven, om ruimte te geven aan wat er is, dat er stiltes mogen vallen die goed voelen en waarin ook anderen iets kunnen zeggen wat nog gezegd wil worden. Ik ervaar die tussenruimte als genade, ook mij overkomt het dat ik woor-den aangereikt krijg die passen bij wat is. De woorden ontstaan in de verbondenheid. Want die is op zo'n moment heel sterk. Ik heb hen feitelijk maar drie keer ontmoet, maar wat een diepe indruk heeft dat gemaakt, er was zoveel zielsverbondenheid, God-dank.

Nog een ander voorbeeld: twee vrouwen willen graag nog hun relatie inzegenen in het bijzijn van hun dierbaren terwijl een van de twee al ernstig ziek is. Ze kennen mij van de maandelijkse Zijpvieringen en we delen de liefde voor de teksten van Huub Oosterhuis. Ik zegen hen beiden met de woorden: ‘Van u is de toekomst, kome wat komt, licht dat niet dooft, liefde die blijft.’
   Ik heb thuis gezocht naar een psalm die ik wilde meegeven en heb Psalm 133 vrij gevonden. Ik heb het op mooi geschept papier voor hen geprint en lees voor:
Alleen kan ook
met twee is beter
twee of drie
met twaalf
of zeven maal zeven
eendrachtig.

Je wast je piekharen hoofd
je haar wordt zacht
je wrijft de zalf erin
het druipt over je konen
in je hals.

Zo voelt het, zijn met
velen, veilig –
dauw daalt neer
van hoog gebergte
in de morgenzon.

Je kent elkaar
je weet wie bij je hoort
gezegend ben je

zo voelt de nieuwe wereld
die komen zal.
(UIT 150 PSALMEN VRIJ, HUUB OOSTERHUIS)

Antoine Oomen heeft er prachtige muziek op gecomponeerd en daar luisteren we met z'n allen naar. Het is een beladen gebeuren, want hun samen-zijn hier op deze wereld zal niet erg lang meer zijn. Vreugde en verdriet wisselen elkaar af, maar er is vooral dankbaarheid om het feit dat ze al tien jaar gelukkig zijn samen. En de laatste zinnen uit de psalm krijgen diepte: ‘Zo voelt de nieuwe wereld die komen zal’ - voor de een is dat het leven na dit leven, voor de ander is het dit leven hier dat ze verder moet leven straks zonder haar geliefde, vooral ook tegen haar zeg ik: ‘Gezegend ben je,’ moge het je kracht geven!



MONIEK SIERMANN
voorganger De Zijp
en
geestelijke verzorger